Verscholen tussen de weilanden en de heggen langs de Maas, liggen op de oevers van de Raam, kort voordat deze in de Maas uitmondt, twee totaal overwoekerde gemetselde landhoofden, ofwel ondersteuners van een brug. Restanten die verwijzen naar een brug met een eeuwenlange historie, die in Oeffelt algemeen bekend staat als de ‘Perdsbrug’ of, in het Nederlands, de ‘Paardenbrug’.
Voor het ontstaan van de ‘Perdsbrug’ moeten we terug naar de tijd dat schepen nog geen stoom- of dieselmotoren hadden om zich voort te bewegen en afhankelijk waren van de wind (zeilen) of trekkracht van de mens of dier. Voor deze trekkers, of wel togers of togenaars genaamd, was er langs de oever van de Maas en lijn- of jaagpad. Restanten van dit pad zijn ook nog te vinden in het landschap. Daar waar riviertjes of beken in de Maas uitmondden, werden voorzieningen getroffen om veilig en met droge voeten te kunnen passeren. Zo ontstonden op het pad bruggen. Eén daarvan is de Paardenbrug over de Raam in Oeffelt.
Nabij de brug lag Herberg De Koudenoord, vanaf circa 1731 wordt deze ook aangegeven op kadasterkaarten. De herberg moet een duidelijk functie als pleisterplaats gehad hebben voor togenaars, maar ook voor schippers die vlakbij voor anker gingen om er een borreltje te drinken. De herberg bestaat niet meer, maar uit archeologische vondsten op de plaats waar de herberg stond, zijn vele resten van drinkglaswerk, voorraad-aardewerk en serviesgoed gevonden, wat duidt op voormalige horeca-activiteiten.
Uit archieven blijkt dat er veel ‘getouwtrek’ is geweest over het onderhoud van de brug. Rond 1850 was de staat van de brug al zo slecht, dat er uitvoerig werd gecorrespondeerd over wie er verantwoordelijk zou zijn voor het onderhoud en de daarmee samenhangende onderhoudskosten? Wat dat nu de toenmalige gemeente Oeffelt, de Provincie, het Rijk, de eigenaar Antoon Nelissen van de Koudenoord, het Waterschap of de Domeinen? Dat er eerst een ongeluk moest gebeuren, lijkt voor de hand liggend. Dat gebeurde in maart 1855. Togenaar Henricus van Uden uit Neerloon, verloor als gevolg van de slechte toestand van de brug, een paard en eiste als vergoeding voor de geleden schade fl. 125,-. Na ruim 15 jaar correspondentie tussen alle partijen, neemt het Domein in 1871 uiteindelijk haar verantwoordelijkheid en verzorgt het herstel van de brug. Of de togenaar zijn schadevergoeding uitgekeerd heeft gekregen, blijft een raadsel.
Heden ten dage staan we opnieuw voor de vraag: wie zal de brug vernieuwen en onderhouden. Togenaars zijn er niet meer, maar recreanten wel. Fietsers, wandelaars en vissers zullen het erg waarderen, als zij zonder gevaar de Oeffeltse Raam kunnen oversteken.
Voor dit artikel is geraadpleegd de publicatie van Jan Veekens ‘De Paardenbrug onder Oeffelt en de relatie met Koudenoord’ (Merlet, 44e jaargang (2008), nummer 1).